serieus

In een stuk dat ik laatst schreef, een belangrijk stuk, over mijn leven en de dingen daaromheen,

stond 100 keer het woord SERIEUS

Ben ik zo serieus?

Wat is dat eigenlijk: serieus?

Wie neem ik serieus?

Iemand serieus nemen doe je wanneer je die iemand volwaardig acht, wanneer je neemt wat hij zegt en doet als oprecht.

Zonder grapjes?

Ja, zonder grapjes ten koste van de oprechtheid van iemand.

Grapjes over de zaak, geen grapjes die de persoon en zijn integriteit aantasten.

IJsje!, roept het kind uit.

– Nee, nu niet. Je hebt net een koekje op.

– Ik heb je niet gehoord.

– Wat, ben je helemaal betoeterd..

of

– Hier, maar dan moet je niet meer zeuren!

?

Ik zei ‘ijsje’. Kijk, ijsje!

Heb je mij gehoord, mama?

Kijk ijsje! IJsje, ijsje, ijsje!

Mamaaaa!

En het kind blijft roepen tot het zich gehoord voelt.

Wil het een ijsje?

– Zou kunnen.

Wil het dat je ook ziet dat daar ijsjes zijn?

Wil het zeggen dat ijsjes heel lekker zijn?

Wil het zeggen dat daar een heel groot ijsje staat, wel groter dan hijzelf?

– Zou kunnen.

Zullen we het hem eens vragen?

IJsje, zegt hij.

Ik vraag: –  IJsje? Zie jij een ijsje?

Hij zegt: Ja! IJsje! Daar!

– Dat is een lekker ijsje. Mmmmmm.

Ja, mmmm. IJsje.

Mmmmmmmm, zeggen we samen. Mmmmmmm.

– Ik houd erg van citroenijs.

Mmm, mama, ijs, mmm.

– Dag ijs, dag citroenijs.

Dag ijs, dag ijs!

Ik hoorde wat hij zei.

Ik luisterde.

Ik nam wat hij zei serieus.

Ik nam hem serieus.

En vervolgens maakten we heel veel grapjes over ijsjes, met zijn oudere broer.

Welke ijsjes je allemaal hebt, en waar je allemaal ijs van kunt maken.

Schapenijs, en rakettenijs, en schoorstenenijs.

en mama-ijs.

Ik houd erg van grapjes.

En ik houd erg van serieus.

Hadewych

Maand van de verandering

Je bent gewend te gaan, zoals je gaat.

Je bent gewend door te gaan, zoals ’t gaat.

Ook al gaat ’t niet.

Dat doe jij,

dat doet je lijf,

dat doen je hersens.

Behalve als de nood aan de man is,

dan zoek jij,

je benen, je hoofd, je handen, je mond,

een andere weg.

Kun je veranderen zonder noodzaak?

Of vóór de nood je stuurt?

Je kunt jezelf een nieuwe gewoonte aanleren,

jezelf, je lijf, je hoofd.

Duurt een dag of 30,

maar minder (14) is vaak al voldoende.

Iets wat je anders wilt,

anders gaan doen.

Niet even dus,

maar iets langer.

Dit werkt voor kinderen en mensen van alle leeftijden.

Als je ergens voor èn achter kunt staan.

Gewenning klinkt voor hersenen als waarheid.

Pas dus op,

er kan van alles veranderen.

Fijne week,

fijne laatste maand

en

maand van de verandering

gewenst!

Wat wen jij jezelf aan, in de laatste maand,

de maand van de verandering? Schrijf t hieronder op. Dat stimuleert enorm…!

Ik dacht dat ik wat voelde.

Jij ligt dit te lezen, of je staat, of je zit dit te lezen. Verdiept in deze woorden, afgesloten voor de geluiden om je heen. Rust in je lijf, de geur van koffie. Voeten op de grond. Schouders zacht en ontspannen.

Wat raak jij nu aan?

Wat raakt jou?

Wat raken jouw voeten, wat raakt je rechterwijsvinger? Wat staat er in contact met je bovenlip?

Wat kun je laten? Waar moet je even heen? (Knellend randje bij je buik? Bil die gaat slapen? Schouders, nek, onderrug…?)

Ik maak een reis door mijn lijf. 
 
Die reis had ik misschien gisteren kunnen maken. Dat was fijn geweest. Ik zat in mijn hoofd, en bleef daar, en ik kon uit dat hoofd, dat zo groot toch niet is, geen uitgang vinden. Ik liep op het strand en voelde het zand, maar het lukte me niet alleen te voelen.
Ik voelde wel

mijn prikkende huid, onder mijn lip;

–  Het is najaar. Het wordt winter. Meer lucht, meer ruimte, iedereen meer op zichzelf. –

de robuustheid van ons houten tafelblad;

–  Die een boom was en ooit zacht, en sappig en warm.

de zachtheid van de eerste betonnen platen van de strandopgang;

–  Alsof mijn voetzolen kussentjes zijn. Is dit wat een hond voelt? –

de bladzijden van mijn etymologisch woordenboek. Met watjes in mijn oren zó zacht;

de linkerwang van mijn oudste zoon. En zijn vingers spelend met mijn oorlelletje. Warm, zacht, één.

een licht-krampende darm. Ik moest er van lachen;

 Iets van mijn ik gaat weer heel eigenwijs zijn eigen gang. –

en

een steek in mijn hoofd.

– Kan een gedachte fysiek pijn doen..? –

 

Ik voelde niet veel meer dan mijn gedachten.

Het is mij gisteren niet gelukt los te komen van die gedachten.

Het lukte mij gisteren niet alleen het zand te voelen.

Het is tijd voor een reis, tot mijn voeten zand zijn en het zand mijn voeten. Is in een half uurtje gepiept. Moet het wel even doen.

Erover schrijven en denken en praten zet mij, en jou, nog niet grondig neer!

 

Ik maak een dingen-voeldagje. Jij?

Waar ben ik ?

Gronden begint met het neerzetten van je voeten op een plek.

Die plek neem je waar,
met je ogen,
je oren,
je neus,
en je voelsprieten.
Misschien wel met je hele lijf.

Ik zit in de trein,
en loop in mijn hoofd door de coupé.
Voorbij mijn buurman;
zijn krantje ritselt.
Langs de ramen; even naar buiten koekeloeren.
Ik struikel over een schooltas;
ruikt wat muf, wel mooi van kleur, zeg.
Hardcore op de achtergrond,
chocola en koffie.
Kriebel aan mijn knie.

Op de terugweg van mijn rondje
neem ik een kettinkje mee,
eigenlijk een enkelbandje,
ringelend, tingelend, zilver glimmend,
schitterend in de zon.
Van haar enkel. Om mijn pols.
Staat me goed.

Ik zak neer, in mijn luie stoel.
(in je hoofd kan alles!)
Sandalen uit, voeten op de grond.
Warm, beetje hard.
Ik sluit mijn ogen en voel het armbandje.

glad, warm, ribbelig, rond,
ruikt naar HERAShek, weegt bijna niets,
is flexibel, toch sterk,
is klein en groot.
zacht in zijn geheel, hard zijn de onderdelen.

Mijn handen leren dit ding kennen,
en gaan ervan houden.
Mijn hoofd kent het van binnen en van buiten.

Zonder te weten wat het is,
van wie,
en waarom.

Zonder oordeel.

Op de volgende reizen deze week neem ik de plekken van mijn voeten zó waar.

De plek waar mijn voeten zijn,
de plek waar ik ben,
de plek waar dingen zijn,
de plek waar andere mensen zijn, om mij heen.

Ik weet niet wie ze zijn, die andere mensen.
Ik weet niet waarom ze daar zijn.
Ik kijk,
ik voel,
ik hoor.

Zonder oordeel.

Met mijn beide voeten op de grond.

Doe je mee?

Hoe gaat het met jou?

Als opvoeder, of als mens, kun je drie dingen doen als iemand zich niet fijn voelt.

Je kunt weglopen.

Je kunt zeggen waar je denkt dat hij last van heeft.

Je kunt vragen hoe het met hem gaat en wat hij nodig heeft.

Ik kom,

als leerkracht, trainer, coach, filosoof, of

als mens

veel mensen tegen aan wie dat  laatste nog nooit is gevraagd.

Deze mens zegt dan tegen mij:

“Dat heeft nou nog nooit iemand aan mij gevraagd.”

Ik nodig je uit,

te kijken, te horen,

te zien en te luisteren,

deze week.

Hoe gaat het met jou?

Fijne week gewenst!

Hadewych Simonis

de Kinderfilosoof